
door Nathan Vanharen
Mens of machine? John Lennox over AI en geloof.
Wie John Lennox is, weten veel evangelische lezers al van YouTube. De Ierse wiskundige en emeritus hoogleraar wiskunde aan de Universiteit van Oxford is de man die publiekelijk met Richard Dawkins de strijd durfde aan te gaan over geloof, wetenschap en de existentie van God — en dat op Dawkins’ eigen thuisterrein. Die debatten zijn nog altijd online te vinden en de toon is onmiskenbaar: Lennox is scherp, vriendelijk en theologisch onderlegd. In 2084 past hij diezelfde combinatie toe op een van de meest urgente vragen van dit moment: wat betekent de opkomst van kunstmatige intelligentie voor ons mens-zijn, en wat heeft het christelijk geloof daarin te zeggen?
De oorspronkelijke Engelstalige editie verscheen in 2020 — een moment waarop AI voor de meeste lezers nog tamelijk abstract was. In 2024 volgde een herziene uitgave met technische updates, die de razendsnelle ontwikkelingen rond grote taalmodellen en het groeiende debat over AGI (Artificial General Intelligence) in rekening bracht. De Nederlandse vertaling, verschenen bij KokBoekencentrum in juni 2026, is degelijk en leesbaar. Opvallend is de uitgebreide bibliografie, die zoveel mogelijk verwijst naar Nederlandstalige edities van de aangehaalde werken — een arbeidsintensieve keuze die waarschijnlijk verklaart waarom de vertaling anderhalf jaar op zich liet wachten. Het is een investering die de lezer apprecieert.
Twee luiken
Het boek valt grofweg uiteen in twee delen. In het eerste deel inventariseert Lennox de technologische realiteit: wat is AI vandaag al in staat te doen, en waartoe zal ze morgen in staat zijn? Hij is geen alarmist, maar ook geen naïeveling. Hij beschrijft hoe smalle AI — systemen die één taak uitzonderlijk goed uitvoeren — onze samenleving al grondig hertekent, van medische diagnostiek tot rechterlijke beslissingen. En hij neemt de lezer mee in het debat over AGI: een hypothetische algemene intelligentie die niet langer gebonden is aan één domein, maar de mens in vrijwel elk cognitief opzicht zou overstijgen. Of en wanneer AGI komt, is onzeker; dat ze de inzet van een fundamentele antropologische vraag vormt, staat voor Lennox vast.
In dit eerste deel is Lennox ook op zijn scherpst polemisch. Zijn uithalen naar Yuval Noah Harari en diens Homo Deus zijn niet mis. Harari’s these dat de mens in wezen een algoritme is — complex, maar uiteindelijk reduceerbaar tot data en berekening — wordt door Lennox gedeconstrueerd als een filosofische geloofsbelijdenis die zich voordoet als wetenschappelijke conclusie. Dat dataïsme — de opvatting dat informatiestroom de hoogste waarde is en dat bewustzijn niets meer is dan verwerking van input — is voor Lennox niet neutraal maar diep normatief, en gevaarlijk wanneer het politieke en technologische systemen gaat voeden. Zijn analyse van de sociale kredietsystemen in China is daarbij concreet en ontnuchterend: wat dataïsme in staatshanden betekent voor de individuele mens, is daar al geen gedachte-experiment meer.
Geloof als antwoord, niet als reflex
Het tweede deel is theologisch van aard. Lennox plaatst de beloften en dreigingen van AI tegenover het christelijk verstaan van de mens als imago Dei — geschapen naar het beeld van God, met een waardigheid die niet afleidbaar is uit functie of intelligentie. Hij verzet zich tegen twee gevaren tegelijk: enerzijds het techno-utopisme dat het eeuwige leven en de verlossing van de mens via technologie verwacht (de transhumanistische droom van Ray Kurzweil en anderen), anderzijds een kerkelijke reactie die zich verschanst in onwetendheid en het gesprek simpelweg weigert.
Lennox is op zijn best wanneer hij beide in één beweging weerlegt. Hij laat zien dat de grote vragen die AI oproept — over bewustzijn, identiteit, verantwoordelijkheid, ziel — precies de vragen zijn waarop het evangelie historisch een antwoord heeft geformuleerd. Niet als bijgeloof, maar als een coherente visie op de werkelijkheid die intellectueel serieus genomen wil worden. De verwijzing naar 1984 van George Orwell in de titel is veelbetekenend: zoals Orwell een wereld tekende die technologisch de mens wilde beheersen, vraagt Lennox of 2084 een jaar zal zijn van bevrijding of nieuwe slavernij — en wie de sleutel in handen heeft.
Aanbeveling
2084 is geen gemakkelijk boek in de zin van ‘vrijblijvend’. Het vraagt aandacht en veronderstelt een lezer die bereid is mee te denken. Maar het is ook geen academisch traktaat — Lennox schrijft voor een breed publiek, met heldere voorbeelden en zonder nodeloos jargon. Voor evangelische lezers die worstelen met de vraag hoe ze als gelovige in een wereld van algoritmen en AGI nog iets zinvols te zeggen hebben: dit boek is een uitstekend startpunt. En voor wie eerst wil kennismaken met Lennox — zoek zijn debatten met Dawkins op YouTube. Dan begrijp je meteen waarom dit iemand is die het waard is om te lezen.
James Tour, hoogleraar computerwetenschappen aan Rice University, zegt het op deze manier op de kaft: “Als je maar een boek over AI gaat lezen, laat het dan dit zijn. En als je er meer wilt lezen, begin dan met dit.” Na tientallen niet-christelijke boeken is het een verademing als christen dit boek te mogen lezen.
John Lennox, 2084, een hoopvol perspectief op AI (KokBoekencentrum, 2026, 447 blz.)